Steeds vanuit een andere bril gelezen – Recensie Ezra de Haan

Overname uit http://www.literatuurplein.nl/recensie.jsp?recensieId=228

De laatste parade van Ruth San A Jong
door Ezra de Haan
(Schrijver, dichter en journalist)

Geen schandaal aan mijn oren

Ruth San Jong (1970) woont en werkt in Suriname waar ze de drijvende kracht achter de Schrijversvakschool Paramaribo is. In 2007 debuteerde San A Jong met het verhaal ‘De onderbroek’ in de bloemlezing Waarover we niet moeten praten (redactie Peter de Rijk). Tevens werd een verhaal van haar opgenomen in de bloemlezing Voor mij ben je hier (redactie Michiel van Kempen, 2011).

Weinig verhalenbundels zul je in de boekhandel tegenkomen die de dood behandelen. De dood vindt zijn plek op de schappen door praktische benadering of door geweld. Zeker nu de literaire thriller uiterst populair is. Een literaire benadering is bijzonder, vooral als het negen verhalen betreft die de Surinaamse omgang met de dood beschrijven. Dat Ruth San A Jong zoveel variaties op een thema heeft weten te bedenken is een compliment waard. Dat de lezer ondanks het onderwerp tot het laatste verhaal geboeid blijft, is een grote verdienste.

Met het verhaal ‘De laatste parade’ duwt Ruth San A Jong de lezer meteen het diepe in. We zijn getuige van de begrafenis van Baas Hugo, een man die er, als zoveel Surinaamse mannen, een dubbelleven op nahield. De hele buurt was daarvan op de hoogte, behalve zijn echtgenote en dochter. De lijkenwassers hebben alles gedaan om van alle vrouwen met wie de overledene een relatie had, het onderbroekje los te krijgen en die verwerkt in de bekleding van de kist. Een routineklus, die desondanks toch in het geheim moet gebeuren. Alleen zo kan bewerkstelligd worden dat de geest van de dode de vrouwen met rust zal laten. Het mag duidelijk zijn, we lezen hier over de wereld van de Surinaamse traditie, over het mee begraven van sigaren en sterke drank, het plaatsen van een glas water en kaarsen. Met veel vaart en humor weet San A Jong het allemaal op papier te krijgen.

Typisch Surinaams en daardoor voor de Nederlandse lezer bijzonder zijn de beschreven rituelen.

Op de begraafplaats wacht een groep mensen van zijn koor. Wanneer de kist op de draagbaar van de begraafplaats gaat, wordt Baas Hugo op de schouders genomen door de andere dragers, die tegen betaling prachtige danspasjes maken. De liedjes zijn vuriger.
Een paar passen naar voren, dan weer zijwaarts, achterwaarts en steeds ingewikkelder. Nanga palm wi de go wordt ingezet tot de plek van de teraardebestelling bereikt is. Daarna gaat alles snel. De metselaars schuiven behendig heen en weer, reiken een houten stokje aan Buurman Seypi die in zijn mooiste handschrift in het cement ‘Baas Hugo’ schrijft.

De verhalen van Ruth San A Jong zijn divers. Zo komen we erachter waarom ongeletterde marronvrouwen uit het binnenland op de markt in Paramaribo hun cassave, kruiden en napi verkopen en begrijpen we wat hen naar de grote stad dreef. Direct en zonder er doekjes om te winden lezen we wat de mensen denken, doen en zeggen. ‘Er werd op los genaaid door jong en oud en abortus gepleegd alsof je naar de kapper ging om even je haar te laten knippen.’

In het verhaal ‘Inferno’ stelt ze de helse taferelen aan de kaak die patiënten en familie moeten doormaken wanneer iemand in de isoleerkamer van een gesticht belandt . Het is een verhaal vol van sociale betrokkenheid en die valt vaker op in deze bundel. Schrijnend is bijvoorbeeld het verhaal ’Lelijkedingenschrift’ waarin de auteur flarden van het verhaal als een kind schrijft. Zelfs taalfouten gaat ze daarbij bewust niet uit de weg. Weer neemt de auteur ons mee in een wereld die we niet kennen. Een die vol geweld, seks en kindermisbruik is. Ze toont ons een wereld die normaal voor ons verborgen blijft. Mooi is ook hoe San A Jong hier en daar woorden uit het Sranan gebruikt. Ook als je de taal niet spreekt, begrijp je precies waar het om gaat.

Papa dook op Oom Patrick en gaf hem een flinke kofu.
‘Als jij mijn dochter nog een keer aanraakt kap ik diezelfde hand van je af!’ Ze vochten en vielen beiden op de glazen tafel die al een barst had maar gelijmd was met brede tape, totdat mijn moeder tussenbeide kwam. Pappa hoefde eigenlijk niet zo te doen; zo erg was het ook niet geweest. Oom Patrick heeft me daarna nooit meer aangeraakt.

Opvallend goed zijn de regels waarmee Ruth San A Jong haar verhalen begint. Ze roepen verwachting op en zorgen ervoor dat je gaat lezen. Zo begint het verhaal ‘Aan de dood ontsnapt’ met: Met de handen rond haar keel probeerde ik haar gehuil stil te krijgen. Het is een verbijsterend verhaal over de moeder van een door verkrachting verwekt kind. ‘Inferno’ begint met: Vol afgrijzen keek ik naar het lichaam van mijn moeder die in haar eigen urine op bed lag. Maar ook haar dialogen zijn natuurlijk en geven je echt het idee dat je erbij bent. In het verhaal ‘Dood door schuld’ maken we een groep jongeren mee. Ze zitten in een vakantiehuisje op Republiek en hangen de beest uit. Hun gedrag heeft grote gevolgen. Voor het zover is lezen we een gesprek dat ze hebben. Grappig daarvan is dat de auteur kans ziet het verhaal te vertellen en tegelijkertijd commentaar op haar eigen bundel lijkt te geven.

‘Ehe, de geest blijft voortbestaan. Ee, ga met je tollie spelen. Heb je ooit gezien hoe iemand doodging? Nee toch? Dus no klèts’ zei ik bits en stak mijn tong uit voor hem. In mijn vakantie wilde ik het niet hebben over interessante onderwerpen en al helemaal niet over de dood! Ik kneep Vincent in zijn tollie die ‘Ga door’ antwoordde.

Eigenlijk is het verrassend hoeveel Ruth San A Jong in deze negen verhalen weet kwijt te raken. En natuurlijk gaan het niet alleen maar over de dood. Want ook het leven komt aan bod en de liefde, het alledaagse Surinaamse leven. Juist al die doodgewone dingen die je zelden in een roman tegenkomt. Door geen taboe uit de weg te gaan en veel humor te gebruiken is De laatste parade een mooi en erg bijzonder boek geworden. Misschien schreef de auteur de verhalen met de laatste woorden van Baas Hugo in het achterhoofd ‘Mi no wani no wan babari’. Mocht ik ooit sterven dan geen schandaal aan mijn oren, maar wel vrolijkheid en plezier. Na deze geslaagde meesterproef mogen we alleen nog maar hopen dat Ruth San A Jong ook nog eens met dezelfde scherpe pen een dikke roman gaat schrijven.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *