Inleiding Symposium Caribisch Platform voor docenten Nederlands

Caran, het Caribisch platform voor docenten Nederlands, organiseert haar tweejarig symposium in Paramaribo, op 14, 15 en 16 november. Vanmorgen mocht ik een inleiding voor hen verzorgen.

Goedemorgen,

Toen ik mijn afscheidsspeech schreef bij de begrafenis van mijn moeder realiseerde ik me dat ik het schrijven van haar heb overgenomen. Mijn moeder was psychotisch en ze schreef haar gedachten altijd in een schriftje. Ik ZAG dat als kind en heb het schrijven overgenomen.

Ik stuurde daarna ellenlange brieven naar vrienden en familie over mijn belevenissen, totdat ik in 2000 meedeed aan een workshop van het literair Productiefonds. Iedereen in de groep zei toen: doe mee aan de Kwakoeliteratuurprijs. Ik deed pas in 2002 mee en stuurde een fragment in van het verhaal ‘De laatste parade’, wat later de titel van deze verhalenbundel is geworden. Ik won de derde prijs.

Dat was het moment voor mij dat ik schrijven serieus begon te nemen. Ik wilde kritisch begeleid, gevormd worden, niet op taal per se, maar op creativiteit en kon dat nergens vinden in Paramaribo. Deze zoektocht heeft er dus ook in geresulteerd dat ik een Schrijversvakschool ben gaan opzetten. Je wil het niet voor jezelf doen, maar ook voor anderen.
In 2002 veroverde ik dus de 3e plaats van de Kwakoe-literatuurprijs in Amsterdam. Het thema was: ‘Nanga palm wi de go’, een zogeheten begrafenislied. En toen ik het verhaal DE LAATSTE PARADE schreef, raakte ik heel erg geïntrigeerd door de dood. Ik wilde een paar verhalen schrijven die daarmee te maken hadden, maar ik wilde ook andere thema’s aan de orde laten komen.

Astrid Roemer zei in 2007 tegen mij. ‘Ruth, je bent met schrijven bezig, je organiseert workshops en zo, maar kan jij zelf schrijven?’ Ik heb schrijvers nooit lastiggevallen met mijn tekst, en vooral geen bekende schrijvers. Beginnende schrijvers stappen vaak naar gevestigde schrijvers. Daarvoor was ik te huiverig en ik voelde aan dat mijn verhaal nog niet ‘rijp’ was.

Wanneer je veel leest, ga je onbewust een bepaalde taal- of verhaalgevoeligheid ontwikkelen en die neem je dan mee wanneer je een eigen verhaal schrijft. Het verhaal dat ik naar Astrid Roemer mailde, was ‘De onderbroek’. Ze belde me en we hebben toen een peptalk van een uur of langer gehad. Astrid wilde meer verhalen ‘zien’ om te kijken of ik ECHT kon schrijven. Ze vroeg me of ze mijn toestemming had om het verhaal aan Franc Knipscheer, de uitgever, aan te bieden. Dat deed ze ook en in één regel, om hem niet te beïnvloeden: ‘Franc, kijk naar dit verhaal.’

Het was het laatste verhaal dat werd ingezonden, een verzameling van Surinaamse en Antilliaanse schrijvers. Franc mailde me meteen de volgende dag, dat het verhaal zeker publiceerbaar was. Met de Onderbroek debuteerde ik dus. Voor de duidelijkheid: Ik heb dus de naam van mijn eerste echte verhaal gebruikt voor de titel van mijn bundel.

De thema’s die ik heb meegenomen in de verhalenbundel zijn:

  1. Overspel en de consequenties,
  2. Suïcide
  3. Seksueel misbruik bij kinderen
  4. De droomcultuur in Suriname
  5. Pesten – het gepest van of door jonge mensen…
  6. Een neurologische ziekte en de verbondenheid met Suriname.
  7. Een aanklacht tegen de psychiatrische zorg in Suriname.
  8. Het lijkbewasserswerk en zogenaamde liefdewerk
  9. Ontsnapping aan de dood (Terreur tijdens de binnenlandse oorlog)

10. En natuurlijk meer thema’s

Ik heb veel onderzoek gedaan, essays gelezen over suïcide bij bijvoorbeeld kunstenaars, over tradities en dodenbewerking van millennia terug en de creoolse dodenbewerking, gesprekken met lijkbewassers [ ik heb bij het verhaal van DE GEUR VAN DE DOOD veel details kunnen putten uit het proefschrift van Yvon van der Pijl [levende doden] en Dantes Divina Comedia). Al deze boeken en interviews hebben mijn fantasie geprikkeld en ik heb geprobeerd om alles heel gedetailleerd in de verhalen te verwerken.

Het boek is eigenlijk een enge symboliek van de realiteit van de dood. Wanneer je in Suriname geboren bent en je ouder wordt, ga je vaak naar begrafenissen. Je kent veel mensen, je ziet en hoort veel. Ik had een radar ontwikkeld die alleen gericht was op dingen met de dood. De vormgever, John Falix, aan wie het boek ook is opgedragen, die de cover heeft gedaan, stierf net voordat het boek gepubliceerd werd. Hij heeft het boek dus nooit gezien in deze vorm.

Het laatste verhaal schreef ik pas nadat mijn moeder stierf; het was op dat moment ook AF. Soms moet je de ervaring hebben, om er goed over te kunnen schrijven. Dat is het enige verhaal dat autobiografisch is. Het voelde aan als een soort ‘afsluiting’ van de thematiek. Het verhaal heet ‘Inferno’ en ik heb het in 1 keer geschreven.

Ik vertelde aan mijn uitgever Franc Knipscheer, dat ik per se 9 verhalen wilde publiceren en niet meer. Hij gaf me gelijk. Tenslotte wil je geen ‘overkill’ hebben. Je wilt de lezers niet verstikken met een thematiek waar ze moeilijk over praten en lezen. Ik heb dan ook geprobeerd om met wat humor en realisme, zonder teveel emoties deze verhalen te schrijven.

Het moeilijkste om te schrijven was het verhaal: UIT DE DROOM HELPEN. Ik wilde verder gaan dan dat voorspelbare van de rituelen. Diegenen die de creoolse dodencultuur kennen, en die mijn boek hebben gelezen, zullen merken dat ik alles heb omgekeerd. Seances etc. Het verhaal gaat over een man die droomt over de kwelgeest van zijn overleden boezemvriend. Aan het eind doet hij iets, om te voorkomen dat deze blijft spoken.

De verhalen hebben alle een tragiek, zoals dat van het jonge meisje wier moeder zelfmoord pleegt. Ik heb dat verhaal beschreven vanuit het kind zelf. De naïviteit, de kinderlijke logica. Kinderen zijn zo kwetsbaar, goedgelovig en daardoor makkelijk te misleiden.

En dan het verhaal van het marronmeisje dat is verkracht tijdens de binnenlandse oorlog en haar verkrachter herkent op een foto aan een muur. Voor de Vrouwenbeweging moest ik een documentaire schrijven over hun landbouwproject in het binnenland en ik ben vaker gereisd naar boven- Suriname. Daar zie je veel dingen die gewoon niet kloppen. Wanneer men het woord Binnenlandse Oorlog noemt, zijn de eerste associaties, militairen en marronmannen, maar waar blijven de vrouwen en kinderen? In de literatuur kom ik heel weinig tegen over deze vuile oorlog en daarom had ik de behoefte om daar verder op in te gaan. Alle een vorm van dood en het lijden of verdriet dat daarmee gepaard gaat. Op de cover een fayalobi, met 9 bloempjes, de 9 cirkels in de hel van DANTE, de 9 verhalen dus. Het zwarte symboliseert de dood.Caran2013 024

Ik was verrast toen ik hoorde dat ik ben genomineerd voor de Inktaap 2014. Ik heb begrepen dat 1 van de genomineerden een boek van 600 of meer pagina’s heeft geschreven. Ik heb overigens ook geen grote publieksprijs of zo op mijn naam. De laatste parade is wel genomineerd voor de Academica Literatuurprijs van 2013, althans ik ben op de longlist voorgekomen. De grootste prijs die een auteur kan krijgen is dat hij/zij gelezen wordt, VEEL gelezen wordt. Je wilt vooral niet dat er na een jaar niet meer over jouw boek wordt gesproken. Met de Inktaap- nominatie word ik NOG meer gelezen. Men is intussen bezig met de tweede druk. Dat vind ik geweldig, meer nog omdat ik buiten de grenzen treed met mijn boek, en dat voor een debuutbundel. Je wilt niet alleen voor Surinamers schrijven (die kennen bij wijze van spreken bepaalde rituelen al), je wilt vooral voor een brede groep schrijven.

Wanneer je van de uitgever waar je jouw manuscript heb ingediend hoort, dat je boek wordt gepubliceerd, realiseert je je dat hij een risico neemt en je hoopt natuurlijk na het uitgeven, dat er goede reacties komen. Wat dat betreft heb ik niks te klagen, ik heb in 9 van de 10 gevallen positieve reacties gehad en van de buurvrouw of tante tot de letterkundige of antropoloog. Ik vond leuk de analyses te lezen over wat EIGENLIJK de premisse is voor hen is van het boek, van de verhalen.Toen Franc Knipscheer me dus meldde dat mijn boek de tweede druk zou ingaan, was ik blij. Hij vroeg me ook of ik wat wijzigingen had, en die had ik natuurlijk.

Ik leer mijn studenten altijd bij prozaschrijven, dat ze niet bij elke regel een Surinamisme hoeven te gebruiken om het verhaal Surinaams te maken. De vraag die ik mezelf nu stel is hoe Belgen (Vlamingen), Nederlanders en Antillianen de verhalen zullen ervaren. Zoals u misschien heeft gemerkt heb ik niet vertaald, maar de zinnen beeldend geschreven, zodat je kunt ‘zien’ wat er aan de hand is.

Dit boek kwam ook voor op de LONGLIST VAN DE ACADEMICA LITERATUURPRIJS ook wel DE DEBUTANTENPRIJS genoemd. Dat was ook een complete verrassing voor mij. De literaire wereld van Nederland is voor een Surinaamse auteur een ver-van-mijn- bedshow. Daar denk je niet echt aan, maar ergens in de verte hoop je het wel.

Ik heb veel lovende kritieken gehad op ‘De laatste parade.’ Van landgenoten, schrijvers en lezers in voornamelijk Nederland.Diepzinnige analyses die heel dichtbij de waarheid van mijn persoon kwamen,met mijn motivaties bij het schrijven te maken hadden, of soms een verrassend inzicht gaven waarbij ik niet eens stil heb gestaan.

Ik ben blij dat men vooral gaat nadenken bij deze bundel. Peter die Rijk, diezelfde hoofdredacteur zei bij mijn boekpresentatie in Amsterdam dat ik eigenlijk een DIK boek heb geschreven. Hij was een poosje in Suriname en zijn blik werd totaal anders na zijn bezoek. Ik heb dus vooral een kijkje gegeven in de cultuur of cultuurbeleving van willekeurige Surinamers. Ik ben nieuwsgierig naar de reacties van de verschillende groepen jongeren bij dit INKTaapgebeuren. Ze hebben zo hun eigen visie en mening over dit soort ‘zware’ onderwerpen. Soms heel verrassend!

Ik ga nu pas de ervaring in met de Inktaap. De mensen die alles erover weten, zullen u daar uitgebreid over vertellen. Wat ik zeker weet, is dat ik nog steeds verrast ben. Dank u wel!

1 thought on “Inleiding Symposium Caribisch Platform voor docenten Nederlands

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *