een wandeling naar de poort

Was ik maar de kersenboom, met de donkergroene bladeren die als vitamine zijn voor mijn ogen (een van mijn oudere studenten vertelde dat kijken naar groen, naar de kleur van bomen en bos goed zijn voor de ogen). Ik heb het geloofd. Ik neem de kleur in mij op en zucht. Kon ik maar zo stil blijven groeien, wachten op regen en mij laten beschijnen door de zon. Elke dag, elke maand, wachten op regen, wachten op zon. Af en toe geplaagd worden door een boomschimmel, mijn kersen die weggeplukt worden door de eigenaar van Estabrielstraat 6 en haar nichtjes en neefjes met hun kinderhanden. Uitkijken naar vreemde schoenen die het erf op en af gaan. De schelpen tellen en proberen te luisteren wat zij doen. De taal van de mieren en kikkers verstaan die steeds weer de schoonmaakmiddelen door de dienstvrouw uit haar emmer spoelt elke vrijdag, overleven. Gewoon niet te veel denken, niet te veel doen, dan alleen zijn, groeien en kijken.
Ik loop mijn Japans gras voorbij dat van iedereen die op bezoek komt complimenten krijgt. Die kattenpoep kijkt mij aan. Er is een of andere ziekeling in de buurt die 21 katten heeft. De beesten komen uitgerekend op mijn Japans gras poepen. De huisbaas vertelde me met een geniepige glimlach dat ze rattengif in een beetje rijst met sardien had gemengd. De kattenplaag met een onderbreking van twee weken, bleef duren. Ze had die bruine nooit meer gezien, maar die zwarte en witte blijven komen. Het geluid van de parende katten in de stille ochtenduren vind ik nog steeds aandoenlijk.
De vogels wier naam ik nog steeds niet ken, bezingen de zondag. Het doet mijn oren goed, brengt rust in mij. Ik zou ze graag willen verstaan, om te weten of ze ook klagen over de onbenulligheden van het leven, klagen over het bizarre van de politiek, en zich afvragen of ze ons verstaan.
Ik kijk mijn poort uit. Het is bevestigd, mijn rustige zondag gaat eraan. Mijn wandeling wordt verstoord door de tractor met Chinezen, die de weg maken. Ze gaan drillen, ik hoor de kolossale banden draaien op het asfalt. Mijn geheugen hoort het al komen, trillen van mijn shutters, de grond die mee schudt met mijn kandelaar. De chinees die achter het stuur zit, ziet er even stoffig uit als de gele traktor die hij bestuurt. Als het een Surinamer was geweest had hij goedemorgen gezegd. Mijn knik wordt niet beantwoord. Onbeschoft. Ik loop maar terug en knik naar mijn huisbaas die op het terras zit, de krant te lezen. Ze antwoord met een roestige stem dat ze naar binnen gaat.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *