The First Niece …nostalgische paleismomenten

De ‘First Niece’ was de titel die ik ooit kreeg van Victor Varela-Diaz, een viroloog die jaren terug bij de PAHO werkte en mij plaagde toen hij ontdekte dat Mevrouw Liesbeth Venetiaan-Vanenburg mijn tante was. Ik had de deelname aan een gezondheidsbeurs georganiseerd en stond in de stand bij de opening toen mijn tante binnenkwam, rechtstreeks naar me toestapte, de toenmalige directeur daarbij voorbij liep en me een brasa gaf. “Ruth, why didn’t you tell me?”kreeg ik naar mijn hoofd geslingerd. Niet dat het mij een extra salaris had opgeleverd… maar ik had het moéten zeggen. Victor plaagde mij vanaf toen.

Ik heb genoten van mijn ‘First Niece’ positie. Op nationale feestdagen zoals Srefidensi, werd ik altijd uitgenodigd om naar het paleis te gaan. Het uitzicht vanaf het bordes, dat houten paleis, schilderijen, meubels en die enge trap met smalle treden naar de bovenverdieping hadden iets, iets mysterieus. Ik probeerde me altijd een voorstelling te maken van de gouverneurs en hun gezinnen die er hadden gewoond. De kleine kamers en dat kraken van het hout onder elke voetstap. Omdat ik van griezelverhalen houd, a la Roald Dahl, waande ik mij allerlei enge dingen, van kleine gouverneurskinderen die zonder benen zweefden door het huis in de nacht en van die gouverneurs met hun dikke blaaskaken in dikke pakken en zweetvoeten. Zal het er nog spoken? Ik durfde nooit alleen naar de kleinste bovenkamers te gaan, die achteraf op wat schilderijen na leeg waren. Waar had wie geslapen, renden de kinderen door het huis en als er ruzie werd gemaakt, hoorde de buren het? Hout in grote ruimten geeft een huiveringwekkend echo in de stille avonduren. Welke zwarte mensen hadden er gewerkt? Jammer dat er nooit dagboeken of notities zijn gevonden. Ik zou het wel willen weten.

Ik genoot altijd van dat natuurspektakel van vallende manja’s op de grond, wind door die grasgroene bladeren, vogels en aapjes die vluchtten naar de Palmentuin als er teveel mensenlawaai was.
De keuken was mijn favoriete plek omdat het iets knus had. Daar hield het keukenpersoneel zich op. Er was een bekende kok, een Hindostaanse man, die het typische profiel had van een lakei en altijd in een zwarte pantalon met wit overhemd gekleed. De binnenkant van zijn linkerarm was geschapen om dienbladen vast te houden met eerst een witte theedoek er over heen. Hij had altijd een gebogen houding, of althans, hij kwam erg gedienstig over en zijn gezicht had een eeuwige plooi van geduld. Ik ben zijn naam kwijt, maar hij serveerde ons altijd lekkere snacks en fruitige drankjes. Ik heb hem nooit horen praten. De First Nieces hadden altijd een soort voorrangspositie: je vond altijd wel een stoel om te zitten en we mochten in de airco-kamers uitblazen van het lange staan op het bordes bij defilés in de hete zon, eten in bijzijn van de ministers en tig handen schudden en soms een geforceerde brasa in ontvangst nemen. Het hoorde er bij. Het feesten in de tuin hadden iets volks en elitairs tegelijk.

Ik hoorde de bekendmaking via de tv dat dit jaar de defilé in de middaguren zal zijn en kreeg de neiging om ‘nostalgische paleismomenten’ te tikken. Waarom ‘s middags? Vind de president het te warm? En was hij gevallen van die trap? Alleen maar vragen.
Tijden veranderen constant en dat is vooral goed. Wel jammer dat ik Sabaku niet meer meemaak op het kabinet, want dat waren leuke feesten!
36 jaar Onafhankelijkheid is niet niks, laat het paleis je maar vertellen!
The First Niece, no more. Ik ben die titel kwijt!

Fijne Srefidensi aan iedereen en laten we vooral bij onszelf nagaan wat het woord onafhankelijkheid betekent! Al het andere is al gezegd.

24 november 2011
Ruth San A Jong

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *