Ik sla mijn mobiel op, veel te vroeg, het is net vier uur geweest. Mijn ochtendritueel begint met Facebook Ik zie meldingen van reporters, een lijkenwagen, lofuitingen van een geliefde leider en wat al meer. Desiree Bouterse is niet meer.
Ik heb andere gedachten die opkomen. Hij leerde mij hamsteren, de kunst van het geduldig in rijen staan in de felle zon en mijn grootmoeder vergeven dat ze dat van mij vroeg op jonge leeftijd, hij leerde mij mijn trots wegslikken en het ‘gedekt’ bedelen bij familie, vrienden en later fondsen. Ik leerde achterdocht te hebben voor bijna alles. Mijn eigen buren met wie ik ooit eens aan tafel zat en samen at. Ik leerde groene pesi te verafschuwen omdat die elke keer in het pakket zat. Ik leerde elke keer omkijken, om te zien of diezelfde buren een geweer hadden in hun huis. Bang om verraden te worden om iets wat ik zou hebben gezegd dat tégen was. Tegen de revolutie of revolutionairen. Mijn familie en vrienden moesten vluchten, vluchten voor de rancune en vluchten naar een beter bestaan. Zij die bleven konden hun kleinkinderen niet geboren zien worden, of tenminste de Surinaamse lucht delen. Ze moesten zich elders vestigen uit vrees, om overleving. Het terrorisme van angst zit nog steeds onder de huid.
Dat ik creatief ben zat er al in, maar de creativiteit van mij vond zijn piek in die jaren van Bouterse’s macht. Aan alles komt een eind, misschien ook aan alle trauma’s van de 8 december moorden en de Moiwana slachtingen.
‘Rust in vrede’ maakt mij hypocriet. Maar een monster ben ik niet. We gaan allen een dagje dood. Sterkte aan diegenen die dat van mij willen accepteren.
Dit is geen ‘in memoriam’.

