Seven Eleven

KORT VERHAAL

‘Hoe kon papa ons dit aandoen! Is hij helemaal gek geworden!
’
‘Rustig mevrouw Kromopawiro, we kijken naar wat we voor u kunnen doen in Nederland en maken zeker contact met de Ambassade in Jakarta, dan berichten we u, zo gauw we informatie hebben van jullie vader. Geeft u mij die pasfoto’s en schrijft u in blokletters voor mij de achter en voornaam. En geboortedatum. U weet écht niks van zijn vertrek naar Indonesië?’
‘Hoe vaak moet ik u niet zeggen dat we alleen een gekreukelde bagagesticker hebben gevonden in de vuilnisbak van zijn kamer met Jakarta erop! Zonder adres!’

Ady keek naar haar twee jaar jongere zus en schudde geïrriteerd haar hoofd. Dit had ze nu niet van haar vader verwacht, maar ze had toch altijd het vermoeden dat er iets onstuimigs of verrassend achter die kalmte van hem zat. Natuurlijk was hij naar zijn geboorteland: Indonesië! Wat hij in godsnaam daar is gaan doen was nog de grote vraag. Roots zoeken? Pffft…Pa? Onmogelijk! Hij had nooit over Indonesië gesproken? Ze wisten gewoon niks. Er was een opsporingsbericht geplaatst vorige week bij de Korps Politie Suriname, nadat ze een zoektocht waren begonnen bij families en vrienden in Marienburg. Niemand had hem gezien of iets van hem gehoord. De enige reacties waren de venijnige vanuit de samenleving via facebook dat de dochters hem vast wel iets hadden aangedaan. Een oude man van 71 loopt toch niet zomaar weg? Daar zat een vreemd luchtje aan. Ze had haar zusje Tini een bok gegeven toen die steeds zei dat haar vader dementeerde. ‘Wil je dat verdomme niet meer zeggen? Pa zal wel een goede reden hebben gehad waarom hij is vertrokken zonder ons te melden. Houd op ermee! Pa is niet dement!’
Tini snikte en snoot haar neus in een papieren zakdoek: ‘Mijn God, wat gaat er met mijn vader gebeuren? Waar is hij nu? Heeft hij genoeg geld, waar logeert ie? Mijngodmijngodmijngod, een oude man alleen tussen al die miljoenen mensen. Dat is gevaarlijk!’
Ady vroeg zich af of het bezoek elke zondag niet voldoende was. Was hun vader boos op hen, dat ze hem niet in huis hadden genomen? Waar had hij het geld gevonden om dat ticket te kopen? Drie duizend US Dollars! Had een van hen iets gezegd waardoor ie teleurgesteld was geraakt? Zorgden ze niet goed voor hem. Wilde hij in Indonesië gaan sterven? Wat is hij daar gaan doen? Familie hadden ze niet in Java, althans, hun grootvader was daar geboren. Ze hadden mogen kiezen om terug te gaan of te blijven in Suriname, maar hun opa, die ze nauwelijks hadden gekend, was in Suriname gebleven. Zoiets hoor. Dat was het enige verhaal wat ze wisten of de enige verbondenheid die ze hadden met Indonesië. En ja, ze waren ook niet échte moslims. Alleen bij overlijden werd er de volgende dag meteen begraven, en werd het lijk in een wit laken gewikkeld. De meeste informatie hadden ze van de geschiedenisboekjes geleerd op de lagere school over de Hindoestaanse, Chinese en Javaanse immigratie. Hun vader was zo traditioneel en zwijgzaam als het ging om verhalen van vroeger. Ady had herhaaldelijk geprobeerd, en het enige wat ie steeds zei was: ‘Ik weet het niet meer!’
Zijn vader was overleden toen hij 11 jaar was, en hoeveel kon je je op zo een leeftijd herinneren? Je moest het echt uit hem trekken en het enige wat ze wisten was dat immigratieverhaal, maar niemand had kunnen zeggen van welk dorp of kampong van Semarang ze waren gekomen. Haar vader was in Suriname geboren en zijn vader was op zijn 41ste gestorven toen zijn rechtervoet per ongeluk was gehaakt aan het touw van een op hol geslagen karbouw in Zoelen. Hij had daarna twee maanden in bed gelegen door een infectie aan zijn gebroken been. Hij weigerde naar de dokter te gaan met alle gevolgen van dien. Niks meer, hun pa sprak niet veel. Hun moeder was ook in Suriname geboren in Susannesdaal. Ze hadden elkaar ontmoet toen hij 17 was en zij 14. Die ouders hadden het geregeld. Hun huwelijk was een jaar daarna geweest op z’n Javaans. Het huwelijk van minderjarigen werd wel geaccepteerd, maar inschrijving bij de burgerlijke stand kon pas toen ze 18 was. Al die oude tantes en ooms die deze verhalen hadden kunnen vertellen waren al overleden of diegenen die nog leefden waren dichtbij de 100 jaar en zaten voor zich uit te staren in hun rolstoelen met hun versleten hersens.

‘Allah is groot!’ Vader Tjokro barst in tranen uit wanneer hij zijn koffer neerzet in de kamer van Hotel Ibis Thamrin waar de taxichauffeur hem had afgezet. Hij gaat op de rand van het bed zitten en bekijkt de kamer terwijl er tranen over zijn wangen lopen. Hij is werkelijk in Jakarta, hij is in Indonesië; ‘ Mi doro!’
. De warmte die hem toesloeg toen bij de uitgang van de aankomsthal van de Soekarno Hatta airport staat is hem bekend. Zijn wollen vest jeukt. Het is koud in Nederland, ondanks ze daar hadden gezegd dat het ‘mooi weer’ was. 10 Graden. Zijn linkerknie doet hem pijn en zijn vingers ook. Hij heeft eindelijk de ruimte om de spanning en zijn tranen de vrije loop te laten. Hij voelt aan zijn borst: een vreemde driedubbele hartslag. Hij opent zijn koffer om zijn medicijnen te drinken. Door de lange vlucht van 16 uur is hij het vergeten. Hij ademt de nog schaarse aircolucht van de kamer in. Ady en Titi zullen zich ongerust maken, maar als ik het niet zo had gedaan was ik nu niet hier denkt hij. Ik ben een vitale man en zeker niet dood. Die kinderen hebben zijn hele leven bepaald. Hij heeft 29 dienstjaren gegeven aan Suralco als lasser en voor hen gewerkt om hen te verzorgen. Ik ben nog niet dood. Hij heeft het stil verlangen om ooit een reis naar Indonesië te maken begraven. Na het overlijden van zijn vrouw die jaren als schoonmaakster bij het Ministerie van Sociale Zaken had gewerkt begonnen die gedachten weer te komen. Hij is gezond op zijn artritis na, en die knie. Niemand heeft ie om voor te zorgen. Er is een straathond een poos terug zijn erf op gewandeld waar de poot wellicht bij een aanrijding achterstevoren is gegroeid. ‘Pootje’ krijgt elke dag te eten van hem en waakt over hem, zijn orchideeën en zijn huis te Mariēnburg. Hij is maar een keer voor het werk naar Nederland geweest toen hij jonger was. Hij is altijd tevreden met zijn leven, zijn dochters hebben het goed gedaan op school, een had chemie gestudeerd aan de Universiteit en werkt nu bij het Centrum voor Landbouwkundig Onderzoek, die andere bij een bekende makelaar als directiesecretaresse.
‘Het vroeg overlijden van mijn vader heeft me geleerd om te zorgen voor mijn vrouw en kinderen. Jongens en mannen weten hun weg altijd te vinden.’ Hij heeft het nooit erg gevonden dat Allah hem heeft gezegend met twee dochters. ‘Ik maak het goed met ze juh, wanneer ik terug ben.’

De veelheid van mensen die langs hem lopen, de auto’s, motorfietsen, scooters, straatpolities, billboards en wolkenkrabbers duizelen hem. Zijn hart maakt weer een driedubbele slag en hij vraagt zich weer af of hij die ochtend bij het ontbijt zijn bloedverdunners heeft ingenomen. Ze hebben bijna alleen maar gefrituurd eten. Verschillende soorten nasi goreng, saoto en kroepoek. Er is ook brood en om zijn medicijnen goed te laten werken eet hij wat croissants met wat plakjes kaas, fruit en drinkt een kuipje yoghurt. Hij kijkt naar de tomatensambal waar menig hotelgast gretig uit schept. Nee, dat slaat hij over omdat hij steeds minder tegen peper en sterk gekruid eten kan. Uit nostalgie neemt hij toch een klein schepje. Er is gestoofde rundvlees, gele rijst, gebakken vis, kipworstjes en gebakken ei. Hij kijkt vanachter zijn kopje thee verwonderd toe hoe mensen om half acht ‘ s morgens bergen rijst eten. Hij eet ook wel rijst in Suriname, maar niet elke dag en om pas om 10 of 11 uur. Dit is écht te vroeg voor zijn maag. Hij zal het rustig aan doen op zijn eerste dag in Jakarta. Hij voelt de lucht nog in zijn hoofd en zijn lichaam voelt zwaar aan. Hij stapt uit het hotel om in de straat te lopen, op zoek naar een reisbureau en doet een luide boer. Hij herkent plotseling de tabaksgeur die hij bij zijn vader had geroken. Het lijkt even alsof hij weer kind is en kan zich de geur van zijn kampong herinneren. Kruidnagel. De smog vult zijn al vervuilde longen. Hij heeft jarenlang gerookt en hoest nog steeds. Hij gaat kijken wat een ticket naar Semarang kost. De straten verwarren hem: hij ziet twee nummers in dezelfde straat maar aan de andere kant. Ver gaat ie niet. Het verkeer is te druk en hij blijft te lang om over te steken. De bejays proberen hem te verleiden in te stappen, maar hij wil vooral zijn jetlag eruit lopen. Met een buiktasje waarin zijn paspoort zit en het wisselgeld dat is overgebleven van zijn visa on arrival, loopt hij door de drukke lawaaiige straat.

‘1.500.000 Roepia’s?’ Hij kijkt naar de reisagent en beantwoordt hem in oud-Javaans. Hij heeft intussen ontdekt dat men dat wel verstaat. Hij weet dat men Bahasa Indonesia sprak, maar die taal is hem te modern en hij verstaat net enkele woorden om te begrijpen waar het over gaat. De reisagent schijnt hem wel te verstaan. Hij vertelt hem dat hij zéker terugkomt. ‘Van waar ben je vader? Suriname? Ik geef u dat ticket voor 1 miljoen roepia’s. Vind u dat goed?’
Na enkele minuten is hij buiten het reisbureau waar net aan de voorkant een karretje staat met mannen die bezig zijn rauw vlees te rijgen aan satéstokjes. De satés lijken merkwaardig kleiner hier. Hij vraagt hoeveel een kost. Tienduizend roepia’s! Oh, ze denken dat ik buitenlander ben no. ‘Nee, nog niet. Later,’ antwoordt hij. ‘Vader, vader, vijfduizend roepia’s, dan krijg je 20 satés!’ Hij kijkt naar de vliegen die ook gefascineerd naar het vlees staren en schudt nee met zijn hand. Ook al zijn er 6 of 7 nullen op de biljetten: het blijft duur hier.

Waar ben ik aan begonnen denkt vader Tjokro terwijl hij zijn hartslag tegen zijn handpalm voelt wanneer hij op achterop de motorfiets stapt. Wat doe ik hier, migado! Djinoh heeft beloofd hem naar Semarang te brengen op de motor. Djinoh heeft hem niet gezegd dat ze wel twee dagen, ongeveer twintig uur moeten rijden om er te komen. Hij heeft vader Tjokro iets vaagjes gezegd, iets van vijf of ongeveer zes uren rijden. Ze zouden dan onderweg stoppen om iets te eten en te drinken. Daar zal ook tijd in zitten had Djinoh hem gezegd. Tjokro heeft een mondkapje bij de supermarkt naast het hotel gekocht wat Seven-Eleven heet. Hij heeft zoveel mensen op de motor gezien met die dingen, dus moet hij ze zeker ook hebben. Djinoh heeft ook handschoenen voor hem meegenomen; je vingers kunnen verstijven door het vele rijden tegen de wind in. Hij vindt ook dat die oude man uit Suriname van die knokige vingers heeft. Hij heeft vrij van werk omdat 10 april een nationale vrije dag was in verband met de parlementsverkiezingen. Hij gaat niet stemmen, hij gelooft niet meer in die corrupte politici. Vader had hem in een gesprek overgehaald om dat toch te doen, al was het maar een ongeldige stem ‘Kruis gewoon verschillende vakjes aan, dan gaat je stem naar niemand!’ Djinoh is dan toch om half vijf in de ochtend opgestaan om langs de snelweg bij Jakarta Barat te stemmen voordat hij Vader Tjokro afhaalt.
Vader denkt aan Somohardjo in Suriname, die de scepter zwaaide met Bowta en die andere boeven. Allemaal een pot nat, ook hier. Ze zouden Yudhoyono wegstemmen. Maar dat zou pas in juli zijn. Hij heeft gehoord van de mensen in het hotel dat ze voor die jonge Jokowi zullen stemmen. De vrouw van Salam is Ambassadeur in Jakarta. Baya, hij zou haar zeker niet ontmoeten: hij was geen diplomaat of een van die gewichtige mensen van de ambassade. Bij zijn vertrek uit Suriname had ie toevallig gelezen dat ze in diskrediet was geraakt bij het lokale personeel in Jakarta. Iets met achterstallige betalingen of verhoging van salarissen. Hij kan het zich er iets bij voorstellen. Je was hier of rijk of arm. Djinoh verdiende maar 150 euro in de maand! Dat waren de salarissen ongeveer van hotelpersoneel of een bode. Is maar goed dat mijn vader niet terug is gegaan naar Java: we hebben het veel beter in Suriname. Hij had toch te weinig geld meegenomen voor die tien dagen. 500 USD was niet genoeg geweest voor een ticket naar Semarang. Hij heeft Djinoh die zijn kamer dagelijks schoonmaakt bij een babbel gevraagd of hij hem kan brengen op de motorfiets. Die motorfietsen fascineren hem. Djinoh had meteen ja gezegd, maar hij had moeten wachten tot die vrije dag. Het leek alsof al die 240 miljoen mensen gingen stemmen op de motorfiets. Tjokro is bang en gespt zijn helm stevig vast.

‘Oh Allah, luku fa mi o dede dyaso,’ roept hij keer op keer in Sranan als hij zijn lichaam mee voelt swingen wanneer de motorfiets een bocht maakt. Hij klemt elke keer zijn oude dunnen benen stevig om Djino vast die er niks van merkt. De auto’s en motorfietsen razen op de centimeters langs hem heen, evenals de gedachten die hij krijgt. Hij sluit zijn ogen en denkt aan zijn dochters, zijn vrouw, met wie hij toch een goed leven heeft gehad, zijn dienstjaren bij Suralco als lasser, het beeld van het witte kleed waar hij zijn vader in gewikkeld had gezien. Hij sluit zijn ogen wanneer ze voor het stoplicht komen en de honderden, naar zijn gevoel miljoenen uitlaatpijpen agressief naast hem grommen. Het geluid doet pijn aan zijn oren. Hij kijkt steeds weg wanneer hij twee kinderen tussen twee ouders in, op een bromfiets ziet zitten of wanneer hij een oude man ziet trekken aan een grote bakfiets beladen vol zakken afval. De wind tegen zijn mondkapje maakt hem kortademig. Ze komen wel in Semarang denkt hij hoopvol.20140329_120914

Vader Tjokro zit weer op zijn bed en huilt. 12 april staat op zijn ticket, 6.45 Terminal 2, KL810 Jakarta/Amsterdam. Hij is gefrustreerd. Een dag is te kort om nog iets te ondernemen. Djinoh heeft hem voor de gek gehouden en in wellicht via allerlei omwegen en in rondjes 3 uur of iets langer gereden. Ze zijn gewoon in Noord Jakarta beland bij de haven waar er een vismarkt is. Hij heeft de jongen niet kunnen uitschelden, omdat die hem bij de vismarkt had achtergelaten en hem nooit meer gezien. Hij heeft pas na een uur zoeken door dat hij belazerd is. Hoe had Djinoh zoiets met hém kunnen doen? Hij heeft hem nota bene 500.000 roepia’s gegeven voor de moeite. Hij had hem bijna als zijn eigen kleinzoon behandeld. Djinoh weet dat hij nog 2 dagen in Jakarta zou verblijven. Hij volgt een cursus op de UI in Depok in de middaguren. Geld voor een voltijdse studie hadden zijn ouders niet. Vader Tjokro heeft gewandeld langs de havenplek waar een mannen bezig zijn peper en knoflook te malen. Hij eet een nasi ikan bilis . Zo een nasi met tri en zoute vis heeft hij nog nooit gegeten. Het is wel een beetje zout en denkt aan zijn bloeddruk. Het bananenblad laat hem aan Suriname denken en terug laten verlangen naar zijn huis waar de lucht zuiver is en hij kan genieten van de stilte wind en het geruis van de manjabladeren. Hij loopt langs de viskraampjes in de straat waar al die jonge mannen hem aanbieden om garnalen, krab of vis te kopen. Tegen 5 uur neemt hij een taxi van Bluebird naar zijn hotel in Thamrin. Ze hadden hem allemaal gezegd dat die de betrouwbaarste taxi’s zijn. Hij betaalt nog geen 100 duizend roepia’s. In een uur en een kwartier is hij weer bij het hotel.

Vader Tjokro huilt zoals hij nog nooit heeft gehuild. Hier blijven is geen optie. Hij wil ook niet, hij zou niet kunnen werken. Hij heeft geen huis, geen familie, en ze zullen hem echt snel uit het hotel wegjagen wanneer hij de kamer niet meer kan betalen. Je hebt voor alles geld nodig hier. Hij zal zwerven als ie hier blijft en hij ziet zichzelf niet in die kampongs slapen tussen al die zwerfkatten. Hij kan het Ady en Tini ook niet aandoen. De Indo’s hier proberen me allemaal te belazeren, ik ben toch 1 van hen, ik lijk toch op hen, waar was alle respect voor oudere mensen? Waar was die verbondenheid die ze hadden? Hij heeft gefaald en is teleurgesteld in zichzelf. Hij had meer moeten sparen. Ze zullen hem vast uitlachen thuis: ‘Vader Tjokro is gek geworden, ay kensi, hij is dement!’ Hij hoort het zijn hele familie al zeggen. Hij is stom geweest om te denken dat ie naar Indonesië zou komen en in zijn geboortestad Semarang belanden met 750 USD handgeld! Hij heeft toch kunnen bedenken dat alles veranderd was, ook de mensen? Hij voelt zich een domme oude man.
 Langzaam vouwt hij zijn batikhem op. Hij heeft na jaren weer een jeans gekocht bij Pasar Tanah Abang. Hij heeft nog een uur om in te pakken en uit het hotel te checken. Hij moet nog 45000 roepia’s betalen voor een glaasje Advocado sap. Dan heeft hij nog 300.000 roepia’s over om te spenderen. Bij de hotelbalie vraagt hij naar Djinoh maar die had 2 dagen studieverlof opgenomen. ‘Die moer!’ vloekt hij.

Het geluid van de motorfietsen en het vele andere geluid dat de taxi omringt doet hem niks meer. Hij vraagt de chauffeur de radio uit te doen. Hij wil geen gamelan muziek meer horen. Op de Soekarno airport helpt de chauffeur hem zijn koffers op een trolley te plaatsen zodat hij niet hoeft te trekken. Bij de incheckbalie wachten 2 douaneambtenaren hem op. Hij moet naar een speciale kamer. Hij vraagt zich af wat er aan de hand is terwijl ze hem beiden met de hand begeleiden en zijn trolley van hem overnemen.

De stoelriemen mogen los. Hij is moe en verdrietig en wacht gedwee wanneer de stewardess hem vraagt even te wachten totdat de douaniers hem komen halen. Er is gedonder in Suriname, om hem. Hij loopt met trage pas in de slurf en zakt plotseling achter de douanier in elkaar. Het is even rumoerig in de slurf waar de andere passagiers zich snellen om hun koffers te halen bij de Luggage hal.

 

‘Goedemiddag mevrouw, u spreekt met mevrouw Spijskever van de Vreemdelingen Politie in Schiphol.’


‘Ja, het is al middag bij ons.’

‘Bent u een van de contactpersonen van ….Tjokrodimedjo? Ja, de dochter. Geboren op ….?

‘Ja, ter controle vraag ik u nogmaals.’

‘Nee, dat geeft niet.’

‘Ja.. we… uw vader is terecht. We hebben contact gemaakt met de autoriteiten in Jakarta en hij zat op de vlucht van 12 april naar Schiphol vanmorgen.’
….
‘Dat is 16 uur vliegen bij de heenreis .’

Helaas moet ik u meedelen dat hij is overleden bij aankomst…in de slurf. Het spijt me ten zeerste.’

‘Er is net sectie op het lijk gepleegd…’

‘Ja, de politie en douane is nog bezig. Wij kunnen niet zomaar het lijk transporteren. U moet nog de stukken die ik u zo meteen ga faxen invullen en tekenen.’

‘Hoe?…’

‘Hij heeft een hartstilstand gekregen, maar het medisch rapport krijgt u per fax.’

‘Het spijt me heel erg mevrouw.’

‘Gecondoleerd.’

‘Een collega van mij neemt deze zaak over en maakt contact met u.’

‘Goedemiddag mevrouw, nogmaals gecondoleerd en sterkte.’

 

27 April 2014

Ruth SAN A JONG

 

 

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *