essay maatschappij

Mijn geloof Een essay van Sharifa Hooghart

“Ik geloof in God de Almachtige Vader, schepper van hemel en aarde, en in Jezus Christus zijn enige zoon onze, heer die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria, die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd gestorven en begraven, die nedergedaald is ter helle, de derde dag verrezen uit de doden, die opgestegen is ten hemel, zit aan de rechterhand van God de Almachtige Vader. Ik geloof in de Heilige Geest, de Heilige Katholieke Kerk, de gemeenschap van de Heiligen, en het eeuwig leven Amen.”

En zo belijden wij het mysterie van ons geloof. Toen ik ongeveer tien of elf jaar oud was leerde ik dit gebed, ik was leerling van de Kathedrale Koorschool Suriname en moest alle gebeden die binnen de Katholieke Kerk voorkwamen kennen. Op mijn vierde ben ik gedoopt in de Maarten Luther King kerk. Totdat ik iets ouder werd heb ik nooit geweten wat dopen eigenlijk betekent. Wat is dopen? Dopen heeft te maken met bekering, dopen heeft te maken met officieel Christen worden. Volgens vele Christenen moet men Christen zijn voordat zij gedoopt worden. Maar ik kan mij niets herinneren van mijn doopsel tot ik besliste dat ik over mijn geloof wilde schrijven, wist ik ook niet wanneer ik gedoopt was en welke bijbeltekst mij gegeven is.

Ergens tussen mijn tiende of twaalfde was ik voor het eerst op een Wintiprey en een nieuwe wereld ging voor mij open. Maar wat is winti eigenlijk? Ik zag mensen, dansen, anderen huilden, en andere spraken in verschillende tongen die ik niet verstond. Door de jaren heen ben ik gegroeid, en heb ik veel dingen meegemaakt. Intussen ben ik achttien jaartjes jong en ben ik gedoopt in de Lutherse Kerk, opgevoed door de Rooms-Katholieken en elk jaar gebaad met swit’ watra. Waarin geloof ik?

Ik ben gedoopt in de Lutherse Kerk omdat mijn vader Luthers gedoopt is. Men zegt je wordt gedoopt in de kerk waar je vader vandaan komt. Hoewel ik in de lutherse kerk gedoopt ben, moet ik heel eerlijk zijn en zeggen dat ik maar tien of vijftien diensten van de kerk heb bijgewoond. Tot mijn vijftiende ben bezocht ik de vakantie-bijbelschool van de Lutherse kerk. In mijn leven heb ik drie verschillende kerken bezocht, af en toe kwam Jehova’s Getuigen ook langs. Op school moest ik alle RK-liederen en gebeden uit het hoofd kennen. Iedereen keek raar naar me en had een heleboel vragen als ze zagen dat ik geen communie in ontvangst nam tijdens de diensten. In de vijfde klas van de Kathedrale Koorschool moesten de meeste kinderen vormsel afleggen. Ik was een van de drie kinderen die dat niet konden omdat wij elders gedoopt waren. Thuis vroeg ik aan mijn moeder of ik over mocht stappen naar het Rooms Katholiek geloof want iedereen kon hun vormsel afleggen. Waarom ik dan niet? Van mijn moeder mocht dat niet. Waarom zat ik dan op een Rooms Katholieke School? In de kerk waar ik gedoopt ben werd er altijd gevraagd waarom ik mijn kerk in de steek laat. Er werd ook raar naar me opgekeken als ik het Onze Vader anders bad. Ik wist niet waar ik thuis hoorde ik wist toen ook niets over geloof.

Op de muloschool begon ik dieper in te gaan op wat geloof is en waarin ik geloof. Ik zat toen weer op een RK school en wij kregen het vak Godsdienst. In de eerste klas nam niemand dit vak serieus. Voor een van de repetities kregen we allemaal diepe onvoldoendes en iedereen moest ervan lachen. Op dat moment begreep ik niets, en was alles zo grappig. “Godsdienst telt niet dus, we doen wat we willen,” zeiden de meeste van ons. In de tweede klas toen ik ongeveer dertien of veertien jaar oud was, vormden we een band met de Godsdienstjuf. Zij vertelde ons dat geloof belangrijk is, zij vertelde ons over haar ervaringen, en dat als iets haar dwars zit dat ze met de Heer kan praten. We kregen van haar een jeugdbijbel. We leerden dat wij God als een vriend moesten zien, een vriend die ongelimiteerd van je houdt, een vriend die je altijd vergeeft en een vriend die altijd naar je zal luisteren. Wij leerden dat God om hulp vragen om je bij te staan goed was. Ik las toen vaker de bijbel en als we naar de kerk moesten, luisterde ik beter naar de Pater of de Diaken. Ik probeerde eruit te leren. Dat deed ik ook. De Pater vertelde altijd verhalen en vergeleek ze met die van de bijbel. Ik nam altijd deze verhalen mee in mijn leven.

Op een dag tijdens een gesprek met de Godsdienstjuffrouw vertelde ze ons over een persoonlijke gebeurtenis die ze had met de Wintireligie.  Zij vertelde dat Winti afgoderij is. Ze was ergens en men had een kroon bij haar gezien. Men zei:“en abi a berewinti”.  De juf vertelde hen dat ze niets ervan wilde en alles weggehaald heeft. Ik vond dat verhaal vreemd. Toen ik thuis kwam vertelde ik alles aan mijn moeder en mijn tante en die zeiden op hun beurt: “Libi juffrouw nanga den law sani sa en e taki.”

Thuis werd er niet veel over Winti gesproken, en als ik bij oma was van vaderskant, mochten wij nooit één ding over winti zeggen. Een  lied zingen ook niet. Winti was een mysterie. Bijna iedereen deed zo onrustig erover: “Nee, praat niet over winti, haal die bladeren uit je haar, nowan sma no abi fu sabi taki yu go teki wan wasi,” werd er gezegd. En zoals we weten in de Surinaamse cultuur vraag je nooit -maar waarom? -. Waarom mag ik niet over winti praten? Tot mijn zestiende dacht ik dat Winti gewoon een dans was. Het zijn mensen die zomaar gekke dingen schreeuwen “Winti is gek!”.

Op mijn zestiende besloot ik al deze vragen van mijn verwarring zelf te beantwoorden. Ik kwam op een dag thuis en ik vertelde iedereen dat mijn scriptie zou gaan over Winti. Mijn moeder vond het prima. Heel raar, oma werkte mee! Op dat moment veranderde mijn hele leven. Ik leerde over Anana, de kracht van het goede en het kwade, de kracht die alles creëerde. Ik leerde over de KRA, je ziel die bestaat uit koni en sabivan de voorouders. Over de vier verschillende pantheons “busi- het bos voor harmonie, tapu- de lucht, gron- de grond, de aarde voor vruchtbaarheid en watra- water voor plezier. Zelf leren over winti begon dus op mijn zestiende. Ik heb gesproken met A Konfo Fu Kondre, dat is een Wintipriester, in dit geval een Wintipriesteres Dorenia Babel. Van haar heb ik al deze dingen geleerd. Ik heb ook gesproken met Dominee Urwin Holband en heb hem vragen gesteld over hoe hij staat tegenover de Winti als religie. Ik was heel erg tevreden met zijn antwoorden. Hij vertelde dat hij weet dat die dingen er zijn iedereen zo over “die dingen” praat. Hij zei dat winti niet slecht is, en dat in het verleden door de kolonialisten werd afgeleerd. Dat elke religie goede en een slechte kanten heeft en dat jij er zelf als mens voor kiest wat je ermee doet.

Van de winti priesteres Dorenia Babel leerde ik over “bonu”. Bonu betekent -goed-. Ik schrok even, want zolang iemand  over bonu praat schrikt een ieder.“Praat niet over bonu!” “no kari takru sani kong”. Maar bonu lijkt op bunu en betekent goed. “Kunu en wisi” zijn het tegenovergestelde van mekaar. Een bonuman is een man die goed doet, iemand die jou kan genezen van die “wisi” en die “kunu”. Een bonuman werkt altijd met een dresiman en lukuman. een dresiman maakt medicijnen, en de lukuman die ziet wat er aan de hand is. De lukuman kan zonder te weten wie jij bent, jou vertellen hoe jou leven op dat moment wanneer je voor hem zit aan toe gaat. Dit zodat hij de bonuman kan vertellen wat voor genezing jij nodig hebt, en de dresiman wat voor medicijnen je nodig hebt. Omdat ik nu zelf onderzoek heb gedaan en weet wat winti is, heb ik mijn geloof kunnen vormen. En ik bid op verschillende manieren.

Ik houd van een ervaring die ik had in april 2021 tijdens het nationaal JCI NILOM speech contest. Voordat mijn vriendin en ik het podium opgingen hebben we gebeden, wij deden het Onze Vader en daarna spraken wij tot Anana Keduama Keduampo, en de voorouders “fu ma sey en pa sey”. Een van de anderen zag dat wij aan het bidden waren, en kwam dichterbij ons staan. Hij vroeg wat we deden en toen hij doorhad wat we deden bleef hij staan en bad met ons mee. Aan het einde van de dag waren wij de drie winnaars van het speechcontest.

Ik ben gedoopt in de Lutherse Kerk, in mijn leven heb ik drie verschillende kerken bezocht, ik heb de meeste diensten van de Rooms Katholieke Kerk bezocht, en ik ben elk jaar gebaad met swit watra . No questions asked. Nu ben ik achttien jaar en ik geloof in God, en ik geloof in Anana Keduama Keduampo. Voordat ik begin met studeren, elke avond voor ik ga slapen en elke keer dat ik het school erf betreed, bid ik tot ze en vraag ik alle voorouders om mij bij te staan. Want van daar haal ik mijn kracht “mi e aksi den fu hori baka gi mi”. Het werkt. Soms vraag ik me nog steeds af waarin ik geloof: ben ik wel christen of iets anders? Nee ik ben geen christen: ik ben gelovig, mijn geloof geeft me kracht. Wij als zwarte mensen moeten vergeten wat ons geleerd is, onderzoek doen naar waar wij vandaan komen, en afstappen van het geloof dat zegt dat alles wat van ons komt slecht is. Van dáár komt onze kracht. Ze hebben geprobeerd ons zwak te maken en ik hoop dat ik met deze stap een deel van onze kracht terug gehaald heb. Als ik met iets wil beginnen, begin ik met God en mijn voorouders . Mijn voorouders, “den wan di kon na fesi” geven mij kracht en zij bestaan. Ik doe niemand kwaad door mijn geloof te belijden en ik zal het blijven belijden.

Sharifa Hooghart

 

 

Sharifa Hooghart is 18 jaar en deed mee aan de training Critical Thinking through US Literature. Het was fantastisch om een jong volwassene in de groep te hebben met een eigen visie. We zijn trots op haar.