Joden Savanne


Suriname is een mooi land! Die uitspraak doe ik altijd als ik naar het binnenland ga. Vanmorgen was ik naar Joden Savanne, na denk ik een jaar of vijf. Een wesp vond het nodig mij in de auto op de highway er aan te herinneren dat ik muskita-gel moest gebruiken. Gelukkig had de gids een of andere olie bij de hand om over de rode plek waar de wesp had geprikt te wrijven. De dribbelende rit over de Afobakkaweg heeft wellicht het gif van die gemene wesp goed laten doorvloeien in mijn bloed. Ik ben allergisch voor sommige wespen en bijen. Maar gelukkig bleef het bij een flinke branderige zwelling en niet gezwollen lippen en dergelijke. Je kan alleen maar lyrisch zijn als je over de natuur schrijft. De lucht werd zuiverder naarmate we dieper het binnenland opreden. Mijn beeld werd verstoord door de kolossale trucks die bomen die langs de rode bauxietweg jarenlang stonden, hadden omgehakt. De Afobakweg wordt geasfalteerd. Grote trucks met zand werden over de rode bauxietweg gestort, waarna er een screeber over langs ging om die te egaliseren. Er wordt hard gewerkt, en notabene in het weekend. We moesten de rivier over met een kleine ponton. Er konden net 4 auto’s op. De ponton was nog aan de overkant. De oversteek kan pas plaatsvinden als er genoeg auto’s zijn om de ponton te vullen. Voor een vaart van vijf minuten kan je dus uren wachten. Je zal maar de pech hebben dat je om 7 uur daar staat en de overige drie auto’s druppelsgewijs en elk na driekwartier of zo aan komen rijden. Je zal maar dringend iets moeten doen. Na een foto te hebben geschoten van de naar mijn inzicht onervaren bootsman, die ooknog vroeg wat ik met de foto zou doen, konden wij de rit verder voortzetten. Op naar Joden Savanne!

Joden Savanne, het huis van leven, zoals een Joodse begraafplaats ook wordt genoemd. Ik probeerde beelden op te roepen van mensen die hadden gelopen waar ik liep, in die tijd. De grafstenen vertelden mij te weinig. We hadden een boek bij de hand en natuurlijk was ik daar te lui voor. De geneeskrachtige bron had wel iets. Ik heb mijn gezicht mee gewassen en een liter fles gevuld. Je weet maar nooit, mocht ik het ooit nodig hebben. Aan de ene kant jammer dat er geen hoekje is gecreëerd waar alle mensen die daadwerkelijk genezen zijn door het drinken van dat water. Dat ze dan op stenen, of houten platen hun naam achterlaten. Gewoon, zodat anderen het weten en net als in Lourdes en Banneux, de bedevaartplaatsen waar geneeskrachtige waterbronnen zijn. Ik hoor alleen maar positieve verhalen.
Schattig waren de termietennesten die de bomen bezwangerden. Ik mocht ruiken aan de hars van een boom die Tingi Moni heet. Ik waande mij toen ik rook aan de hars in een spa met etherische oliën. Heerlijk, kruidig en toch zacht. Het bos rook naar Tingi Moni.
Het mooiste vond ik nog het ananasveld met die mooie roseknop. We mochten niet 1 ananas meenemen. De eigenaar was in geen velden of wegen te bespeuren, maar stelen mocht niet. De gids zou het niet over haar hart krijgen dat te doen. Het doet je altijd wel iets als je kindergraven ziet. Er was een afgehakte boom als symboliek op enkele van ze. Dat was het teken dat het leven te vroeg was gelaten. Boom is dus leven. Vergeef me, ik heb niet alles onthouden. Ik moet mij maar eens goed gaan verdiepen in de dodencultuur van de Joden (wil ik daar behoorlijk iets van kunnen terugvertellen). Zeker interessant. Daarna zijn we nog gereden naar Redi Doti, waar we de Kapitein hebben ontmoet. Een jonge in ontblote bovenlijf aardige Indiaan. Onee, ik moet zeggen Inheemse man. Hij gaf ons Pepre watra met Hazenvlees. Het peperwater was inderdaad peper met cassavebrood. Heel hartelijke man. Ik kon het niet laten hem te interesseren voor schrijven. Hem kinderboeken beloofd die hij mag ophalen in de bibliotheek. En dat, zonder vooraf met het bestuur van Bukutori te hebben afgestemd. Het dorp heeft geen bibliotheek. De kapitein is zelf onderwijzer en leert kinderen met behulp van de moedertaal het nederlands. Niet gemakkelijk, maar wel noodzakelijk om naar de stad te kunnen en mee te gaan. De Inheemse kinderen hebben dus vanaf de jonge jaren een achterstand als ze in de stad aankomen. Mijn gedachten gingen meteen terug naar de lezing van de Taalraad. Daarna nog naar de Abomakreek geweest, waar gelukkig geen Aboma (Anaconda, as in Big Snake!) te zien was, alleen een vrijend jong stel. De natuur is mooi. We moesten terug om de ponton weer te pakken. Onderweg nog wat aasgieren gezien en die van dichtbij konden fotograferen. Het was lunchtijd voor hen.

Het had een beetje geregend dus er zat weinig kans op dat ik met een henna-tint in mijn haren, van de bauxietstof die voorbij rijdende trucks ons achterlieten, terug zou keren naar de stad. Daar mijn kans om de grijze haren enigzins te verbergen…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *