Trivialiteiten

Ik stoor me steeds vaker aan de laconieke, lakse houding van mensen in mijn wereld. In menige ontmoetingen, of die nu zakelijk of persoonlijk zijn, constateer ik steeds vaker die houding van maak je niet druk: het komt wel goed. Het is ook om die reden dat ik lang geen blog heb geschreven. Je wordt dan makkelijk een zeur en mensen willen je niet meer lezen. Men is makkelijk met zichzelf en anderen en ik merk dat op alle niveaus. In de rij bij de bank, bij de supermarkt, in afspraken met mensen. Men is zo op zichzelf gericht. Mededogen heeft men alleen voor zichzelf en aanverwanten. Ik weet ook dat een enkeling de wereld niet kan verbeteren, maar conformeren aan laks gedrag kan ik nog niet. Oh of is het ook ‘immaterieel erfgoed’?

Ik heb het geprobeerd en word zenuwachtig, omdat mijn geweten dan toch gaat knagen. Ik moet op tijd ergens zijn, ik moet feedback geven zodat men niet vergeet, ik moet bedanken, ik moet attentie tonen. Deuren gaan open voor mij op deze manier. Een enkel belletje maakt zoveel goed. Een verontschuldiging en een sorry eveneens. Het is zo gemakkelijk.

Maar zo kan ik me mateloos ergeren aan wanneer mensen afspraken maken en niet afmelden of gewoon geen rekening met je houden. Je kan toch een telefoontje krijgen dat je de loterij heb gewonnen of zoals in mijn geval, van de trap donderen en niet kunnen opstaan?

We staan in de rij bij de Bank van DSB aan de Kasabaholoweg. Het is een klein gebouw. Intussen heb ik mezelf leren inademen wanneer ik die bank binnenstap, de nummermachine deels defect is (al een jaar) en mensen met grote bundels geld in hun hand in de rij staan om te storten. En jij met een cheque van 1000 srd staat om te lichten. Het is weleens voorgekomen dat er nauwelijks 10 mensen in de rij staan en je toch een half uur of langer wacht voordat je geholpen wordt. Je hebt dan pech wanneer je achter zo een loper staat die de opbrengsten voor de warung of een kledingzaak moet storten. 1 kassa is bemand en de airco blaast zijn laatste adem. Dan heb je ook nog van die drukke rijen waar mensen op elkaar staan, je in de nek hijgen, zweterige vingers die net daarvoor in de auto even in hun neus hadden gepeuterd, het stinkende geld nog goed natellen, om dan de pen vast te houden om die bankbriefjes in te vullen. Ik word er helemaal kriebelig van. Dan staat er een of andere aan anorexia lijkend meisje de hele tijd te suffen in de rij om pas wanneer ze aan de beurt is, zich realiseert dat ze de cheque niet heeft ingevuld en ondertekend. Kijk, dan wil ik gillen en haar zeggen om te gaan eten om wat vitamine naar haar hersens te sturen zodat ze efficiënt met haar tijd en de mijne kan omgaan! ‘Go nyan, ik verzoek je go nyan!’ denkt mijn hoofd. Je reactievermogen gaat ook achteruit bij een ‘skelettendieet’. Mooi kopje heeft ze hoor, maar dat is ook alles.

En dan ohoh, dat gevoegelijk ervan uit gaan dat het ok is. Gisteren parkeerde een jongeman met een bromfiets voor mijn terras om de tegels te bespuiten met insecticide en het gras te doden (volgens mij malathion). Hij vroeg beleefd of ik een oogje kon gooien. Ja, waarom niet. Na een kwartiertje vroeg hij me om water te vullen in zijn jerrycan zodat hij zijn spul kon mixen. Dat kon helaas niet omdat ik geen buitenkraan heb. Ik kan bovendien geen emmers tillen vanwege het gewicht en ik zou hem zeker niet in mijn badkamer laten om even een emmer te vullen. Dat is te veel vriendelijkheid. Het is vaker gebeurd dat men hier stroom tapte bij me, de tuinslang leende, zelfs ongevraagd mijn hark nam om even het terrein hier te harken. Die jongeman vroeg vervolgens om drinkwater.  Hij kreeg een beker met ijswater van me. Mijn honden gingen op gegeven moment tekeer. Ik was bezig te tikken en ik liep toen naar het raam om te kijken wat er aan de hand was. Ja hoor, ik zag 3 [!] jongemannen aan mijn terrastafel zitten, 1 zat op mijn plantenrekje, bezig een broodje en een bakje tjawmin of zo te eten. Mijn ogen werden groot! ‘Oh, dus ik geef je een glas water en je mag uitgebreid gaan zitten met je mati no?’
‘Eh, ja mevrouw, ik wist niet dat er iemand thuis was.’
‘Nee no, heb je die radio niet gehoord dan?’

Mijn ogen staan nog steeds wijd. Drie anderen zitten op de trap hier naast mijn appartement. Ik denk, Ruth, laat die jongens nou maar. Ze zijn er om te werken. Ik kan het echter niet laten: ‘Straks yu o aksi mi if i kan leni wan preti fu poti a tjauwmin. Un tyari en yere. Pe ye go sdon somar na wan sma fesoso, hari yu sturu ston, èhn? [Zostraks vraag je nog een bord om je tjauwmin in te doen. Waar ga je zonder toestemming op iemands terras een stoel erbij trekken en zitten?]

‘A sani ne go so yere! [zo gaat het niet].’
‘Mevrouw, no span. We ruimen hier op.’

Ik ga conformeren aan ‘nospan’ gedrag. Misschien dat het dan wat beter gaat. De instructies van deze gekke yoga meneer bekijken. Afgesproken. No span, ik blijf wel mezelf.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *